Artikel 23 Wet forensische zorg in de praktijk

Onderzoeksgegevens
Projectnummer 3105b
Type WODC-intern onderzoek

Samenvatting

Op 1 januari 2019 is de Wet forensische zorg (Wfz) gedeeltelijk in werking getreden. Deze wet biedt de Officier van Justitie en de rechter mogelijkheden om ervoor te zorgen dat binnen het strafrecht sneller de passende psychische zorg wordt geboden. De evaluatie van de Wfz zal op grond van art 8.1 Wfz drie jaar na inwerkingtreding plaatsvinden, en vervolgens na elke vijf jaar. Dit deelonderzoek is onderdeel van een vroege of algemene wetsevaluatie binnen het meerjarig ‘Onderzoeksprogramma Wet forensische zorg’ (2020 t/m 2025) dat op verzoek van DGS&B wordt uitgevoerd door het WODC. Een Kamertoezegging is daarnaast dat de Wet verplichte GGz (Wvggz), de wet zorg en dwang (Wzd) en de Wfz gelijktijdig en in samenhang zullen worden geëvalueerd (Tweede Kamerstukken, Vergaderjaar 2019-2020, 32399, nr. 91).
In art 2.3 Wfz wordt geregeld dat de strafrechter de bevoegdheid krijgt om in verschillende fasen van het strafproces een zorgmachtiging op te leggen. Mogelijke toeleidingstrajecten zijn: toeleiding naar gedwongen zorg ter vervanging van strafrechtelijke vervolging, tijdens de strafrechtelijke vervolging, als (onderdeel van) de afdoening, of na afloop van straf of maatregel. Dit deelonderzoek dient zowel een kwalitatief als een kwantitatief beeld op te leveren van de mate waarin art 2.3 Wfz wordt toegepast in verschillende toeleidingstrajecten. Daarnaast dient het onderzoek verdieping te bieden door het geven van een beschrijving en analyse van de overwegingen van rechters, OvJ’s en gedragsdeskundigen en van de problematiek en delictkenmerken van de betrokken forensische patiënten. Het onderzoek op basis van rechterlijke uitspraken wordt daartoe aangevuld met dossieronderzoek en vraaggesprekken met professionals uit de rechtspraktijk en de (forensische) GGz.
De vroege wetsevaluatie omvat naast het onderhavige deelproject een planevaluatie (3105a) en een project voor het opzetten van een monitor (3105c). Vervolgens worden een procesevaluatie (waarin de uitvoering in de praktijk centraal staat) en een doelbereikingsevaluatie (waarin wordt nagegaan in hoeverre de belangrijkste beoogde doelen worden behaald) verricht.