De rol en positie van het OM als bevoegde justitiële autoriteit in het Europees strafrecht

Onderzoeksgegevens
Projectnummer 3229
Type Extern onderzoek
Betrokken organisatie(s) UL - Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Samenvatting

In 2019 is naar aanleiding van een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU de Overleveringswet met spoed aangepast, omdat als gevolg van deze uitspraak officieren van justitie niet langer Europese aanhoudingsbevelen (EAB) mochten uitvaardigen. De reden daarvoor is dat in Nederland de minister van Justitie de bevoegdheid heeft het OM een aanwijzing tot vervolging te geven, waardoor een onafhankelijke beslissing van het OM over een EAB niet kan worden gegarandeerd. Het OM is daarmee niet bevoegd een aanhoudingsbevel uit te vaardigen dat in een andere lidstaat ten uitvoer moet worden gelegd. In de spoedwet is deze bevoegdheid nu - voorlopig - doorgeschoven naar de rechter-commissaris. Door ontwikkelingen in de jurisprudentie en rondom de instelling van een Europees Openbaar Ministerie (EOM) is het gewenst te onderzoeken of het mogelijk is een officier van justitie bij het uitvaardigen van een EAB op te laten treden als gedelegeerd Europese aanklager, die buiten verantwoordelijkheid van het OM en JenV valt.
Het betreft een inventariserend en beschrijvend onderzoek naar de rol en positie van het OM als justitiële autoriteit in Europees strafrecht, in het licht van de bovengenoemde ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Hof van Justitie over het EAB en EOB, alsmede het verkennen van oplossingsrichtingen t.b.v. de inrichting van toekomstbestendige Nederlandse wetgeving. Hoe hebben andere EU-lidstaten de rol van bevoegde justitiële autoriteit ingevuld in hun nationale wetgeving? En welke mogelijke risico’s, knelpunten of kansen worden gezien voor de rol en de positie van het OM ten opzichte van het ministerie?