Uitvoering Adolescentenstraftrecht gaat goed, maar kan beter

Uitvoering Adolescentenstraftrecht gaat goed, maar kan beter

De uitvoering van het adolescentenstrafrecht lijkt in de praktijk te werken zoals het bedoeld is. Tussen het Openbaar Ministerie, de reclassering, het NIFP en de rechterlijke macht lijkt vaak overeenstemming te zijn voor welke jongvolwassen daders een jeugdtraject ingezet dient te worden. Toch zijn er diverse aandachtspunten ter verbetering van de uitvoering. Dit blijkt uit twee studies die het WODC onlangs heeft uitgevoerd naar de invoering en werking van het adolescentenstrafrecht bij jongvolwassenen.

Wil je meer weten in 2 minuten? Animatie Adolescentenstrafrecht

Op 1 april 2014 is het adolescentenstrafrecht in Nederland ingevoerd. Centraal daarin staat de aparte bejegening van 18- tot 23-jarigen volgens het jeugdstrafrecht. Sommige jongvolwassen daders zouden, door hun nog niet voltooide ontwikkeling, meer baat hebben bij het pedagogisch georiënteerde jeugdstrafrecht, dan bij het op vergelding georiënteerde volwassenenstrafrecht. In de periode na de invoering van het adolescentenstrafrecht is het aantal strafzaken tegen 18- tot 23-jarigen waartegen het jeugdstrafrecht is opgelegd gestegen tot ongeveer 5% in 2017.

Praktijk

Het WODC onderzocht hoe de toepassing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen in de praktijk wordt uitgevoerd. In de verschillende fasen van vervolging, advisering, berechting en tenuitvoerlegging zijn praktijkprofessionals geïnterviewd over de gang van zaken. De uitvoering in de praktijk lijkt in overeenstemming te zijn met de beoogde aanpak van het adolescentenstrafrecht.

Aandachtspunten
Er zijn ook enkele aandachtspunten. Zo vindt de selectie van jongvolwassenen die in aanmerking komen voor het jeugdstrafrecht al vroeg in de keten plaats. Op dat moment is informatie over de persoonskenmerken van de jongvolwassen verdachte vaak nog beperkt. Pas later adviseert de reclassering en/of het NIFP uitgebreid over de achtergrond en mogelijke persoonlijkheidsproblematiek van de jongvolwassene.
Ook komen de indicaties en contra-indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht door de strafrechtelijke keten heen niet altijd overeen. Sommige praktijkprofessionals menen dat bij ernstige misdrijven het toepassen van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen niet passend is, maar het adolescentenstrafrecht biedt die mogelijkheid juist wel.

Verder vraagt de advisering door de reclassering meer inspanning bij jongvolwassenen die berecht zouden moeten worden volgens het jeugdstrafrecht dan wanneer het volwassenenstrafrecht gevolgd zou worden. Het lijkt soms ook lastig om geschikte en beschikbare jeugdhulp te organiseren voor jongvolwassenen die een jeugdsanctie krijgen opgelegd.
Tot slot lijken de praktijkprofessionals die te maken krijgen met jongvolwassen verdachten voornamelijk expertise te hebben in het volwassenenstrafrecht en is er minder ervaring met het jeugdstrafrecht

Kenmerken

In een tweede studie zijn de achtergrond- en criminele carrière kenmerken van jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht onderzocht. Hoewel de onvoltooide ontwikkeling van jongvolwassen daders centraal staat in het adolescentenstrafrecht , is er geen duidelijke omschrijving van dit begrip. Desondanks lijkt er in de praktijk redelijke consensus te bestaan over bij welke jongvolwassenen het jeugdstrafrecht kan worden toegepast. Onder de groep jongvolwassenen die volgens het jeugdstrafrecht zijn berecht zijn relatief gezien) meer daders van ernstige delicten, jongvolwassenen met een licht verstandelijke beperking (LVB) en jongvolwassenen waarbij sprake is van achtergrondproblematiek.

Beide onderzoeken maken onderdeel uit van het onderzoeksprogramma Monitoring en Evaluatie Adolescentenstrafrecht dat door het WODC in de periode 2014-2019 wordt uitgevoerd.