Een zittende man praat tegen een andere man die tegenover hem zit

360 graden perspectief

Patiënt op de juiste plek in de forensische zorg

Forensische zorg is bedoeld voor mensen die met justitie in aanraking zijn gekomen én een psychische stoornis, verslaving of verstandelijke beperking hebben. Vanwege de verschillen in zorgbehoefte en beveiligingsniveau van deze groep mensen, is het vaak ingewikkeld om hen bij de juiste zorgaanbieder te krijgen. Ook door de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg. De in 2019 ingevoerde Wet forensische zorg moest daarbij helpen, maar is dat gelukt? ‘Het is weerbarstige materie.’

We belichten het onderzoek en symposium hierover - Patiënt op de juiste plek in de forensische zorg' - vanuit drie perspectieven. Aan het woord zijn: Andreas Burger (WODC-onderzoeker), Hans de Jong (unitmanager SVG Reclassering Fivoor) en Guus Kramer (coördinerend beleidsmedewerker bij Directoraat-Generaal Straffen en Beschermen, ministerie van Justitie en Veiligheid).

  1. Portret van Andreas Burger
  2. Portret van Hans de Jong
  3. Portret van Guus Kramer

Hoe draagt wetenschappelijk onderzoek bij aan ‘patiënt op de juiste plek’?

Guus: ‘Als beleidsmaker wil je weten welk beleid werkt en of je moet bijsturen. Dit onderzoek evalueerde de Wet forensische zorg, die een nieuwe aanpak introduceerde om de plaatsing van forensische patiënten te verbeteren. Met onder meer een nieuw ondersteunend IT-systeem (Ifzo), een onafhankelijke indicatiestelling en betere informatievoorziening. Het is weerbarstige materie, omdat er verschillende spelers zijn en een speelveld dat continu in beweging is. Dan is het waardevol als een onafhankelijke onderzoeksinstelling, die geen partij is en met iedereen praat, een overkoepelend beeld kan geven.’

Andreas: ‘Ons onderzoek gaf interessante inzichten. Mede doordat we mixed methods gebruikten, waarbij we kwantitatieve en kwalitatieve data combineren om een vollediger beeld van een fenomeen te krijgen. We interviewden 35 mensen uit de praktijk, van reclassering tot zorgaanbieders. Zo kregen we inzicht in de ‘helpende’ en ‘belemmerende’ factoren in het proces. En we analyseerden de data uit het ITIT-systeem Ifzo’

Hans: ‘In de praktijk heb je wel een gevoel bij waar de knelpunten zitten, onderzoek maakt het probleem inzichtelijk. De uitkomsten bevestigden wat wij al wisten, we kampen er tenslotte al jaren mee.’

Wat waren de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek? 

Andreas: ‘Alle partijen binnen de keten werken er gedreven aan om de patiënt op de juiste plek te krijgen, bleek uit het kwalitatieve onderzoek. Maar het bleek ook dat zij, vanwege factoren zoals tijdsdruk, capaciteitstekorten bij zorgaanbieders en een traag ITIT-systeem (Ifzo), vaak om dat itIT-systeem heen werken. Daardoor kunnen we Ifzo niet gebruiken om zicht te krijgen op de vraag of patiënten wel of niet op de juiste plek komen. We weten kortom niet of het systeem vraaggerichter is geworden. Een van onze adviezen was dan ook om Ifzo te vervangen.’ 

Hans: ‘Bij de reclassering werken mensen die heel betrokken zijn en er alles aan doen om mensen te helpen, en dat geldt ook voor de zorgaanbieders. Maar Ifzo bleek voor ons niet altijd helpend. Het is traag, vergt veel handmatig invulwerk, wat foutgevoelig is, en het zorgaanbod van aanbieders staat niet altijd correct geregistreerd waardoor ze slecht vindbaar zijn. Soms is er ook tijdsdruk om patiënten naar aanbieders toe te leiden. We hebben korte lijntjes met zorgaanbieders en bellen gaat dan vaak sneller. Vervolgens zetten we de gegevens in Ifzo waarna er een plaatsingsbesluit volgt.’ 

Guus: ‘Het onderzoek heeft me ermee geconfronteerd dat er een écht probleem is. Achterliggend speelt natuurlijk een groot capaciteitstekort, dat niet een twee drie is op te lossen. Er is wel geld voor stenen, maar daarmee zijn we er nog niet. We zijn afhankelijk van bouwvergunningen en er is een tekort aan zorgpersoneel. Dat de professionals in de keten om Ifzo heen werkten, hadden we al wel gesignaleerd. Maar het systeem helemaal vervangen, dat vinden wij na overleg met verschillende partijen in het veld, niet verstandig. We zijn hard aan het werk om verbeteringen aan te brengen.’ 

Wat was voor jullie de meerwaarde van het symposium dat het WODC organiseerde over dit onderzoek?  

Andreas: ‘Met het symposium wilden we de conclusies van ons onderzoek nog eens onder de aandacht brengen bij praktijk en beleid. De conclusies waren flink en dat mag niet onderin een la verdwijnen. Het symposium bleek een uitgelezen kans om de resultaten met professionals van alle betrokken organisaties samen te bespreken en vooruit te blikken naar de toekomst. Dat was heel leuk, er kwamen ook veel mensen op af, ook uit het werkveld. Door de panelgesprekken en de vragen uit het publiek bleek dat de knelpunten nog steeds leven.’

Hans: ‘Ik vond het een prettige bijeenkomst, met veel mensen uit de praktijk en er werden goede  vragen gesteld. Wat ik nu vooral hoop is dat het onderzoek tot doorbraken gaat leiden én dat er blijvend aandacht is voor dit onderwerp. Het idee van een onafhankelijk matchingssyteem als Ifzo is an sich goed. Het heeft beslist ook goede kanten. Maar ook een subliem werkend Ifzo zal de schaarste en wachtlijsten niet wegnemen. En het menselijke contact is niet te vervangen door een systeem.’ 

Guus: ‘Het rapport verdient deze aandacht. Een symposium als dit helpt om de conclusies in leven te houden. Het is belangrijk om elkaar te vinden, want we moeten het samen doen.’