Verdachten/daders van agressie en geweld tegen hulpverleners zijn meestal jonge mannen, gemiddeld lager opgeleid en met een lager inkomen dan de algemene bevolking. Ruim de helft is eerder verdachte geweest van een geweldsmisdrijf. Toch zijn er ook verschillen in kenmerken, achtergronden en motieven binnen deze groep en is er geen sprake van eenduidige daderprofielen. Om agressie en geweld tegen hulpverleners te begrijpen en aan te pakken, is bovendien meer nodig dan daderprofielen. Ook het verloop van agressie- en geweldsincidenten en hoe daarmee om te gaan, is belangrijk. Er is al veel kennis beschikbaar hierover, die nog beter kan worden benut in de praktijk.
Dit blijkt uit onderzoek door DSP-groep in samenwerking met Ipsos I&O, in opdracht van het WODC. Doel van het onderzoek was om inzicht te geven in de kenmerken en motieven van verdachten/daders van agressie en geweld tegen hulpverleners. Het gaat daarbij om de beroepsgroepen politie, boa's (buitengewoon opsporingsambtenaren openbare ruimte), brandweer en ambulance. In het onderzoek is aandacht geweest voor het verloop van agressie- en geweldsincidenten.
Beeld: © Pixabay
Kenmerken en motieven daders
Ten opzichte van de Nederlandse bevolking zijn mannen tussen 18 en 29 jaar sterk oververtegenwoordigd in de groep verdachten/daders. Incidenten met 50-plussers komen minder vaak voor. De sociaal-economische positie van verdachten/daders is meestal kwetsbaar. Ongeveer 30% van de groep is in de afgelopen vijf jaar geregistreerd vanwege zogeheten onbegrepen gedrag. De motieven voor agressie en geweld lopen uiteen, maar expressief of emotioneel geweld (zoals frustratie, machteloosheid en ervaren onrecht) komen vaak voor.
De groep verdachten/daders heeft verder echter diverse en wisselende kenmerken, achtergronden en motieven. Daarom is het niet mogelijk om eenduidige daderprofielen te onderscheiden. Daarbij is het voor het begrijpen van agressie en geweld richting hulpverleners van belang te kijken naar de samenhang met personen (zowel verdachte als slachtoffer), gedrag en context.
Kenmerken en verloop agressie en geweld
De meeste incidenten tegen hulpverleners vinden plaats in de openbare ruimte en ze concentreren zich in stedelijke gebieden, vooral Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. De kans op agressie en geweld is groter in de avond/nacht en in het weekend. Vooral rond oud en nieuw ligt het aantal incidenten relatief hoog. Er zijn geen algemene triggers voor escalatie, die hangen af van de achtergrond van de verdachte/dader, de situatie rondom een incident en de interactie met de hulpverlener(s). Een escalatie kan ook volgen in reactie op handhavend optreden door politie en boa’s.
Effectieve aanpak
Voor een effectieve aanpak is het onvoldoende om enkel op daderprofielen te focussen. Het onderzoek laat zien dat agressie en geweld tegen hulpverleners voorkomt uit een combinatie van factoren, zoals hierboven omschreven. Dat betekent dat het essentieel is om triggers te herkennen, risicobewust en situatiebewust op te treden en passend te communiceren. Dat werkt preventief en de-escalerend. Situatiegerichte periodieke trainingen, ook wat betreft de inzet van de-escalerend optreden, en samenwerking met ondersteunende partijen (zoals de politie dat is voor boa’s, brandweer en ambulance) zijn daarbij belangrijk.
Tot slot constateren de onderzoekers dat er op dit moment al veel inzichten zijn verzameld over agressie en geweld tegen hulpverleners. Tegelijkertijd vraagt het echt verbeteren van de aanpak ervan naast kennis ook gerichte actie. De onderzoekers doen dan ook een oproep aan overheid, werkgevers en hulpverleners om verworven kennis beter te benutten in de praktijk.
Bij dit rapport schreef het WODC deze aanbiednota.