Met de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) werd in 1990 een nieuw systeem geïntroduceerd om verkeersboetes op te leggen en te innen. Dit bleek zeer effectief en efficiënt, maar staat in een negatief daglicht doordat de wet is gebruikt op een manier waarvoor die niet is bedoeld. De Wahv is ontwikkeld voor de aanpak van lichte overtredingen met lichte sancties. Hoge boetebedragen en hoge ophogingen bij niet niet-tijdige betaling passen daar niet bij. Bovendien is de wet gebruikt om de Rijksbegroting sluitend te krijgen door boetetarieven op te hogen. Hiermee is sprake geweest van oneigenlijk gebruik van de bevoegdheid om boetebedragen vast te stellen. Dit kan het vertrouwen van de burger in de overheid aantasten en het draagvlak verminderen voor de wijze waarop het verkeersrecht wordt gehandhaafd.
Dit zijn enkele bevindingen uit de evaluatie van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), beter bekend als de Wet Mulder. Deze wet is in 1990 ingevoerd en sindsdien tientallen keren aangepast, maar was nog nooit als geheel geëvalueerd. Het onderzoek is uitgevoerd door de DSP-groep en bureau De strafzaak in opdracht van het WODC.
Doelstellingen Wahv grotendeels behaald
De Wahv introduceerde een vorm van bestuursstrafrecht waarmee lichte verkeersovertredingen op een efficiënte, snellere en effectievere wijze konden worden afgedaan. De belangrijkste doelstellingen van de wet – het verminderen van de werklast voor politie, OM en rechters, het effectiever innen van sancties en het waarborgen van rechtsbescherming voor de burger – zijn grotendeels behaald.
Zo werden in 2023 ruim 8,3 miljoen boetes afgehandeld zonder rechter. Het percentage van boetes waartegen beroep werd aangetekend was met minder dan 1% zeer laag, maar betrof nog wel ruim 72.000 zaken waarin de rechter een uitspraak moet doen.
Het inningsbeleid
In het verleden is er sprake geweest van een hard inningsbeleid, dat niet past bij het afdoen van lichte overtredingen met lichte sancties. Inmiddels is dit inningsbeleid aanzienlijk aangepast. Zo kan iedereen die een boete van 75 euro of meer krijgt opgelegd een betalingsregeling treffen. Ook wordt zorgvuldiger omgegaan met dwangmiddelen die zouden moeten aanzetten tot betaling. Zo worden mensen nauwelijks meer vastgezet wanneer zij niet betalen (in gijzeling genomen), zoals in het verleden vaak gebeurde.
Na de inwerkingtreding van de Wet Mulder zijn de verhogingspercentages bij niet-tijdige betaling van de boete, sterk toegenomen. Op dit moment worden boetes eerst met 50% verhoogd en vervolgens met 100%. Hierdoor kan een boete uiteindelijk drie keer zo hoog worden. Dit wordt door de partijen die verantwoordelijk zijn voor de oplegging en inning van de boetes als disproportioneel ervaren en draagt onnodig bij aan schuldenproblematiek bij kwetsbare groepen. Er zijn wel scenario’s uitgewerkt voor een verlaging van de ophogingen, maar die worden niet doorgevoerd vanwege het gat dat daardoor zal ontstaan in de Rijksbegroting.
Beeld: © Rijksoverheid
Oneigenlijk gebruik Wahv
De Wahv is geïntroduceerd om lichte financiële sancties te innen, maar sinds 1994 zijn tarieven voor verkeersboetes met ruim 220% gestegen. De consumentenprijsindex is in dezelfde periode met ongeveer 70% toegenomen. De sancties zijn zodoende aanzienlijk zwaarder geworden. Het algemene niveau van Wahv-boetes ligt bovendien 30% hoger dan vergelijkbare boetes die door het Openbaar Ministerie worden opgelegd (strafbeschikkingen). Een deel van de toename kan worden verklaard door beleidsmatige verhogingen van verkeersboetes om begrotingsgaten op te vullen. De minister van Justitie en Veiligheid heeft de bevoegdheid om de hoogte van boetes vast te stellen om te zorgen voor een effectieve handhaving van verkeersvoorschriften. De bevoegdheid is niet toegekend om ophogingen door te voeren die als hoofddoel hebben extra inkomsten te genereren en daarmee de Rijksbegroting sluitend te maken. Het op deze manier gebruiken van de bevoegdheid is daarom oneigenlijk.
Aanbevelingen
De hoofdaanbevelingen uit het onderzoek gaan over het verlagen van de ophogingen die worden toegepast en het ongedaan maken van de beleidsmatige verhogingen van de verkeersboetes. Hierover is eerder door het kabinet aangegeven dat de benodigde financiële ruimte ontbreekt, omdat er een gat in de begroting zou ontstaan. Dat een gat ontstaat wanneer de beleidsmatige ophogingen ongedaan worden gemaakt, is inherent aan het feit dat deze ophogingen hebben plaatsgevonden om gaten te dichten. De Rijksoverheid heeft echter een instrumentarium beschikbaar dat, in tegenstelling tot het ophogen van de Wahv-boetes, wel bedoeld is om extra inkomsten te genereren wanneer gaten in de begroting moet worden gedicht: rijksbelastingen. Het wordt daarom aanbevolen om met behulp van dit instrumentarium of andere geëigende begrotingsmiddelen een oplossing te zoeken voor het gat dat in de begroting ontstaat.
Daarnaast komen er uit het onderzoek een groot aantal juridisch-technische aanbevelingen die aanleiding geven tot een modernisering van de wet. Onder meer wordt voorgesteld om in sterkere mate aan te sluiten bij de regels van het algemene bestuursrecht, aan te sluiten bij de huidige technologische veranderingen en om te onderzoeken wat in Mulderzaken een passende proceskostenvergoeding is wanneer rechtsbijstand is ingeroepen om een boete aan te vechten.
Bij dit rapport schreef het WODC deze aanbiednota.