Het landelijk aantal jeugdbeschermingsmaatregelen – ondertoezichtstellingen en voogdij – is tussen 2015 en 2024 met 20% gedaald. Professionals noemen drie verklaringen voor de daling. Gezinnen krijgen langer vrijwillig hulp bij opvoed- en opgroeiproblemen. De houding ten aanzien van gedwongen maatregelen door de overheid wordt kritischer. En daarbij spelen ook praktische uitvoeringsproblemen, zoals financiële krapte, personeelstekorten en wachtlijsten een rol. Een precieze vooruitblik op het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen is niet te geven. Daarvoor is beter zicht nodig op de vrijwillige hulp en de doorstroom naar gedwongen maatregelen.

Zie volledig rapport en factsheet

De Universiteit Leiden onderzocht in opdracht van het WODC welke factoren de volumeontwikkeling van jeugdbeschermingsmaatregelen verklaren en welke bruikbaar zijn voor verdere beleidsvorming en het mogelijk kunnen anticiperen op toekomstige volumeontwikkelingen. De directe aanleiding van het onderzoek was de nauwelijks te verklaren daling in het volume van maatregelen op verschillende momenten in de keten, van verzoeken tot onderzoek richting de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) tot aan de instroom van nieuwe zaken bij de uitvoerende gecertificeerde instellingen (GI’s). Zie ook toegevoegde factsheet.

Daling jeugdbeschermingsmaatregelen

De daling is vooral zichtbaar in het aantal maatregelverzoeken aan de kinderrichter. Dit wijst op terughoudendheid in de stap van onderzoek (door RvdK) naar juridisch ingrijpen door de kinderrechter. Dat is vooral te zien bij verzoeken tot het eindigen van gezag van ouders over hun kinderen.

De daling is landelijk zichtbaar, maar varieert wel sterk per regio. In stedelijke regio’s is de daling groter dan in landelijke gebieden. En regio’s die sterker inzetten op preventie kennen ook scherpere dalingen, mede doordat casussen langer lokaal en op vrijwillige basis worden opgepakt door het ‘voorveld’ (gemeentelijke trajecten). Kwaliteit, inzet en registratie van activiteiten van dat voorveld verschillen per regio, wat de vergelijkbaarheid bemoeilijkt. Terwijl daar de inschatting wordt gemaakt of de inzet van een jeugdbeschermingsmaatregel door de RvdK moet worden onderzocht.

Beeld: © Rijksoverheid

Meer vrijwillige hulp

De daling van het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen lijkt vooral het gevolg van veranderingen in keuzes en afwegingen binnen de jeugdbeschermingsketen, en niet van een afname van problemen bij gezinnen. Daarmee zegt deze ontwikkeling meer over hoe en wanneer wordt ingegrepen, dan over de aard en omvang van de problematiek.

De bevindingen wijzen op een verschuiving naar een grotere inzet van hulp via het vrijwillige kader. Tegelijkertijd signaleren professionals risico’s, zoals het mogelijk te lang blijven voortduren van problematiek zonder inzet van een gedwongen maatregel en de rechtsbescherming van gezinnen Daarnaast verschilt de kwaliteit van het vrijwillige kader sterk per regio.

Bescherming waarborgen

Zicht op het vrijwillige kader is momenteel beperkt, onder meer door verschillen in registratie en definities. Voor beleidsvorming is het daarom van belang om beter inzicht te krijgen in de gehele keten en de doorstroom van vrijwillige naar gedwongen hulp. Harmonisatie van registraties en structurele monitoring van capaciteit, instroom en doorlooptijden zijn noodzakelijk om tijdig te kunnen bijsturen.

Op basis van huidige trends en signalen uit de keten kan een voorzichtige verwachting worden geschetst, waarbij een verdere daling van gezagsbeëindigende maatregelen aannemelijk lijkt en stabilisatie van ondertoezichtstellingen niet is uitgesloten. Voldoende en goed gemonitorde capaciteit in de keten is essentieel om de bescherming van kwetsbare kinderen en hun gezinnen, zowel nu als in de toekomst, te waarborgen.

Bij dit rapport schreef het WODC deze aanbiednota.