Het huidige domein van buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) dat wordt aangeduid als  ‘generieke opsporing’ (domein VI) is complex en versnipperd. De grootste groepen boa’s-VI werken voor de politie (58%) of Douane (24%). Hoeveel van hen politiebevoegdheden hebben is niet bekend. De opzet van dit domein is op sommige punten zowel juridisch als praktisch onhoudbaar, blijkt uit onderzoek. De aanbevelingen uit het onderzoek kunnen bijdragen aan de doorontwikkeling van domein VI.

Lees het hele rapport

In opdracht van het WODC onderzochten de DSP-groep en onderzoeksbureau De strafzaak hoe het domein generieke opsporing van het stelsel van boa’s functioneert, zowel in juridisch als praktisch opzicht. Daarbij was er specifieke aandacht voor de wijze waarop de geweldsbevoegdheid en geweldsmiddelen worden toegekend. Het onderzoek vormt een aanvulling op een eerdere verkenning van het ministerie van Justitie en Veiligheid naar de overige vijf specifieke domeinen die het boa-stelsel (zie kader onderaan) kent.

De boa’s-VI vormen een enorm diverse groep, bestaande uit ruim 10.000 functionarissen die veel uiteenlopende taken verrichten en daarmee een bijdrage leveren aan de opsporing van strafbare feiten in Nederland.

Juridische knelpunten

Juridische knelpunten zijn er bijvoorbeeld over de wijze waarop politiebevoegdheden, waaronder de bevoegdheid om geweld te gebruiken, worden toegekend. Dat gebeurt nu voor een hele groep terwijl niet iedereen binnen die groep de bevoegdheden nodig heeft. Ook lijken bij bepaalde beslissingen tot toekenning van wapens en munitie door de minister van Justitie en Veiligheid (bewapeningsvoorschriften) te ontbreken. Hierdoor  is niet duidelijk vast te stellen of een bepaalde boa gerechtigd is tot toepassing van een specifiek geweldsmiddel en hoe dit te gebruiken. En er worden bij wet geen eisen gesteld aan de medische en mentale geschiktheid van de boa om met een bepaald wapen te mogen worden uitgerust.

Beeld: © Rijksoverheid

Praktische knelpunten

Praktische knelpunten kunnen ontstaan als boa’s taken uitvoeren die niet onder hun functie en taakomschrijving vallen, bijvoorbeeld als zij worden ingezet om capaciteitstekorten op te vangen. Als ze daarbij opsporingshandelingen verrichten, dan handelen ze onrechtmatig. Het komt ook voor dat boa’s ter beschikking worden gesteld aan een andere organisatie, bijvoorbeeld bij samenwerking tussen de Dienst Vervoer en Ondersteuning (onderdeel van Dienst Justiele Inrichtingen) en de politie, waarbij ten onrechte wordt aangenomen dat convenanten een voldoende basis zijn om opsporingsbevoegdheden te mogen toepassen.

Een deel van de ondervraagde boa’s ervaart onduidelijkheid over wat wel en niet mag bij het inzetten van opsporingsbevoegdheid en geweldsmiddelen. Ook voor burgers is dit niet altijd duidelijk; zij zien iemand in uniform, die niet als een ‘echte handhaver’ mag optreden.

Aanbevelingen

De onderzoekers doen voor beide typen knelpunten diverse aanbevelingen, zoals:

  • Onderzoek voor welke functies van de huidige boa’s-VI daadwerkelijk opsporingsbevoegdheid vereist is en politiebevoegdheden en -middelen noodzakelijk zijn.
  • Ga na voor welke functies een boa-constructie nodig is; soms ligt het meer voor de hand om te investeren in algemene opsporingsambtenaren, mogelijk met alleen specialistische taken, of de bevoegdheden die bij de reguliere functie horen uit te breiden.
  • Onderzoek of en hoe boa-bevoegdheid kan worden geregeld bij samenwerking.
  • Onderzoek hoe het stelsel eenvoudiger kan worden uitgelegd aan zowel mensen binnen als buiten het domein VI.
  • Zorg voor een raadpleegbaar informatiesysteem dat inzicht biedt in het aantal boa’s dat beschikt over politiebevoegdheden en gewelds- en vrijheidsbeperkende middelen.
  • Publiceer bewapeningsvoorschriften.

Wettelijk kader en heldere registratie

Het toepassen van opsporings- en geweldsbevoegdheden kan een vergaande ingreep zijn in de grondrechten van burgers. Daarom is een zorgvuldige opbouw van het wettelijk kader vereist, evenals een heldere registratie. Daarmee kan worden vastgesteld welke bevoegdheden en middelen aan een individuele boa-VI zijn toegekend.

Bij dit rapport schreeft het WODC deze aanbiednota.