Sinds 1 juli 2024 is seksuele intimidatie in het openbaar strafbaar. Dat leidde tot een relatief laag aantal aangiften bij de politie, die vooral een reactieve rol vervult. In een aantal gemeenten zijn buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) ingezet voor de actieve handhaving van de strafbaarstelling van seksuele intimidatie op risicomomenten en -locaties. Alhoewel dit tot nu toe leidde tot een beperkt resultaat, kan actieve handhaving door boa’s waardevol zijn naast de reactieve rol van de politie. Voorwaarden zijn wel dat die handhaving strategisch wordt ingezet, de informatie-uitwisseling tussen politie en boa’s optimaal verloopt en dat boa’s structureel geschoold worden.

Lees het rapport en factsheet

In opdracht van het WODC evalueerde onderzoeksbureau Regioplan, samen met de Open Universiteit, de handhaving van de strafbaarstelling van seksuele intimidatie in het openbaar. De evaluatie richtte zich zowel op de landelijke handhaving door de politie als op de handhaving door boa’s in de pilotgemeenten. Het is een eerste inventarisatie van ervaringen met en resultaten van die handhaving. Werkwijzen, interpretaties van de wet en toepassing van de strafbaarstelling zijn nog in ontwikkeling.

Handhaving politie

In de onderzochte periode (juli 2024 t/m februari 2026) zijn 572 aangiftes gedaan van seksuele intimidatie, waarvan 107 online plaatsvonden. Ze werden niet allemaal opgepakt, bijvoorbeeld omdat de intimidatie moeilijk bewijsbaar was. In totaal zijn 250 zaken doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie (OM). Ook het OM maakt bij de opvolging en afdoening een selectie, waarbij de bewijspositie doorslaggevend is. Uiteindelijk kwamen 135 zaken terecht bij de rechter, die in de meeste gevallen een straf oplegde.

Beeld: © Pexels

Handhaving boa’s

In de pilotgemeenten zijn boa’s speciaal opgeleid om seksuele intimidatie op heterdaad te constateren en hiervan proces-verbaal (pv) op te maken. Omdat seksuele intimidatie vaak vluchtig is en alleen van dichtbij kan worden waargenomen, gaan boa’s hiervoor in burger de straat op. Door zich onopvallend tussen het publiek te begeven, kunnen zij dichter bij potentiële situaties van seksuele intimidatie komen en deze zo goed mogelijk op heterdaad constateren. Hiervoor werden in de pilotgemeenten circa honderd  specifieke handhavingsmomenten georganiseerd in de periode juli 2024 tot en met februari 2026. Dit leidde tot 21 processen-verbaal (pv’s) en zes reprimandes aan minderjarigen. Daarbij was de kwaliteit van de pv’s, bijvoorbeeld wat betreft volledigheid, een aandachtspunt.

Aanbevelingen

Om de handhaving door boa’s te versterken en voldoende en goed opgeleide boa’s te hebben, is structurele scholing belangrijk. Door lessen die getrokken kunnen worden uit jurisprudentie terug te koppelen naar boa’s, ook als zij reeds getraind zijn, leren zij beter omgaan met interpretatievragen rond begrippen als ‘indringend’ en ‘seksueel’.
Verder pleit het onderzoek voor meer strategische inzet van handhaving, gericht op risicolocaties en drukke momenten waarop seksuele intimidatie vaker voorkomt. Daarbij kunnen de boa’s goed de kennis van de politie benutten over de meldingen en aangiften die zij ontvangen en of die zich concentreren op bepaalde momenten en locaties. 
Verder geven de onderzoekers aan dat online seksuele intimidatie meer aandacht vraagt en een actievere, gespecialiseerde aanpak.  En tenslotte raden zij aan om slachtoffers beter te ondersteunen, zodat de meldings- en aangiftebereidheid wordt vergroot.

Bij dit rapport schreef het WODC deze aanbiednota.