Het komende half jaar wordt het evaluatieonderzoek naar de Wet open overheid (Woo) uitgevoerd. Hoewel een vijfjaarlijkse evaluatie standaard is bij wetten, is het in dit geval geen luxe. Zowel Woo-verzoekers als de afhandelende overheidsorganisaties lopen namelijk tegen problemen aan. Hoofdonderzoeker Aline Klingenberg van Rijksuniversiteit Groningen ziet dat ook al jaren. Ze gaat in op de pijnpunten van de Woo en legt uit hoe dit onderzoek kan bijdragen tot verbetering.

In 2004 vond al een evaluatie plaats van de Wet openbaar bestuur (Wob), de voorganger van de Woo. Ook toen al bleek dat, ondanks de wet, het zogenoemde openbaarheidsklimaat beter kon. “Als je je al ruim twintig jaar bezighoudt met het thema openbaar bestuur, zijn deze problemen met de Woo niet nieuw”, begint Klingenberg. “Woo-verzoekers vinden het vooral te lang duren en zijn niet altijd tevreden met de informatie die ze krijgen. En overheidsorganisaties klagen over het vele werk, bovenop hun eigen taken.”

Beeld: © RUG

Gebrekkige informatiehuishouding vertraagt afhandeling

Het huidige onderzoek bouwt voort op de kennis die er al is. Eerdere onderzoeken, zoals dit jaar nog door Sira Consulting uitgevoerd, lieten bijvoorbeeld zien dat de uitvoeringslasten bij deze wet heel hoog zijn. Ook de uitvoeringstoets van de Woo drie jaar geleden, toonde dat het proces niet goed is ingericht, met name doordat de informatiehuishouding bij overheidsorganisaties niet op orde was.

Klingenberg: “De aanpassingen aan de wet destijds boden alleen geen oplossing voor de problemen met de afhandeling. Nog steeds kampt de overheid met een gebrekkige informatiehuishouding, wat essentieel is voor een efficiënte afhandeling.”

Aanpassing wet mogelijk, bijvoorbeeld tegen misbruik

Betekent dit dat de Woo als wet gewoon voldoet? Zo ver wil Klingenberg niet gaan: “Er kunnen altijd zaken zijn die wetsaanpassingen verlangen. Er wordt bijvoorbeeld ook misbruik gemaakt van de Woo. Door mensen die hopen financieel beter te worden van het doen van verzoeken.  Of die het puur doen om de overheid lastig te vallen, omdat ze ergens boos over zijn. Het is belangrijk dat de wet daar voldoende bescherming tegen biedt. Mogelijk dat dit onderzoek aantoont dat voor zoiets een wetsaanpassing nodig is.”

Noodzaak van een Informatiecommissaris

Klingenberg legt uit dat het onderzoek bestaat uit twee delen: “Het eerste deel gaat in op de vraag of het openbaarheidsklimaat dankzij de Woo is verbeterd. Dit omvat onder andere vier casestudies en interviews bij overheidsorganisaties. Hier kiezen we bewust voor een grote spreiding in beleidsterrein, lokale en landelijke overheden, beleid en uitvoering. We zoeken dan nadrukkelijk niet naar best practices. Maar variëren van zeer datagedreven werkende organisaties, die een groot Woo-verzoek snel kunnen afhandelen, tot organisaties die daar beduidend meer moeite mee hebben.

Het tweede deel onderzoekt de wenselijkheid van een Informatiecommissaris. Die hebben wij in Nederland nu niet, maar in landen als België, Duitsland en Ierland bestaat die wel in verschillende vormen. Mogelijk dat zoiets ook voor Nederland zinvol is.”