Cybercrime onder Nederlandse jongeren

Cybercrime onder Nederlandse jongeren

Er is nog weinig bekend over jeugdigen die zich schuldig maken aan online delinquentie — zowel over jongeren die traditionele delicten plegen met behulp van internet en nieuwe technologieën, als jongeren die deze ICT-middelen niet alleen als gereedschap gebruiken, maar ook als doelwit hebben.

Deze twee typen van online delinquentie worden gedigitaliseerde delinquentie en cyberdelinquentie genoemd. De eerste vorm betreft delicten zoals bedreigingen op iemands Facebook achter laten of aan- en verkoopfraude via Marktplaats. De tweede vorm betreft delicten zoals hacken of het uitvoeren van DDoS-aanvallen. De één is een ‘oud’ delict in een nieuw jasje, de ander is een ‘nieuw’ delict.

Om meer kennis over jeugdige online delinquenten te vergaren, heeft het WODC twee onderzoeken uitgevoerd die voortborduren op de Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit (MZJ), welke een onderdeel is van de Monitor Jeugdcriminaliteit.

Het eerste WODC-rapport heet ‘Jeugddelinquentie in de virtuele wereld’ en verkent de verschillen en overeenkomsten tussen jongeren die offline en (verschillende) online delicten plegen — die zijn er namelijk! Met name cyberdelinquenten lijken een nieuw type daders te zijn. In vergelijking met andere typen daders besteden zij relatief veel tijd aan gamen, maar hebben ze daarnaast weinig vrienden die zelf online delicten plegen.

Naast kenmerken van jeugdige online daders, wordt in het rapport ook aandacht besteed aan de mogelijke verplaatsing van offline delinquenten naar de virtuele wereld. Immers, de sterke daling in geregistreerde jeugdcriminaliteit wordt deels toegeschreven aan de verwachting dat een deel van de delinquente jongeren die eerst alleen offline actief waren, nu online actief zijn.

Omdat online delinquentie moeilijker op te merken en te vervolgen is, zowel door slachtoffers als politie en justitie, zou deze verplaatsing tot een ogenschijnlijke daling in criminaliteit leiden. De onderzoekers vonden echter maar beperkte ondersteuning voor een dergelijke verplaatsing.

Het tweede WODC-rapport is een technisch rapport en gaat, onder andere, in op de mogelijkheid om op basis van zelfrapportage een omvangschatting te maken van de aantallen gedigitaliseerde en cyberdelicten gepleegd door jongeren. Kunnen we, bijvoorbeeld, met zekerheid zeggen hoeveel hackpogingen en -successen er jaarlijks door 10- tot 23-jarigen uitgevoerd en behaald worden?

Het antwoord op deze vraag is vooralsnog ‘nee’. Hoewel de MZJ geschikt is om in te schatten hoeveel jongeren online delicten hebben gepleegd — hetgeen het oorspronkelijke doel is van de MZJ — zal een schatting van de precieze aantallen delicten via een andere weg bemachtigd moeten worden.

Eén van de redenen hiervoor is dat de vraagstelling van diverse online delicten dermate breed opgezet is, dat het niet altijd mogelijk is om te achterhalen of er sprake is van een misdrijf of slechts ‘kattenkwaad’ of niet-illegaal risicogedrag. Het per abuis includeren van dergelijke bagatelfeiten zou daarmee tot een overschatting van online delinquentie kunnen leiden.

Voor meer informatielees de volledige WODC-rapporten:
‘Jeugddelinquentie in de virtuele wereld’ (Cahier 2017-2) en
‘De psychometrische kenmerken van de MZJ vragenlijst over gedigitaliseerde, cyber- en offlinedelicten bij jongeren' (Cahier 2017-4)

Lees ook de Tweede Kamer brief rondom deze onderzoeken.