Overdracht extremistisch gedachtegoed van ouders op kind waarschijnlijk

Volgens experts is de kans groot dat binnen gezinnen jihadistisch en ander extremistisch gedachtegoed wordt overgedragen van ouder op kind. Uit literatuuronderzoek is dit beeld nog niet op te tekenen, onder meer omdat onderzoek vaak is gedaan in niet-westerse context en dit moeilijk naar de West-Europese situatie te vertalen is. Opvallend is de bevinding dat ook in stabiele en liefdevolle gezinnen intergenerationele overdracht van extremistisch gedachtegoed kan plaatsvinden. Dat blijkt uit onderzoek door de Universiteit Leiden in opdracht van het WODC.

Om inzicht te krijgen in de aard en omvang van de overdracht van jihadistisch en breder extremistisch gedachtegoed binnen de gezinscontext is een systematische literatuurstudie gedaan en hebben de onderzoekers verdiepende interviews gehouden.

Gezinnen blijven uit beeld

Uit de interviews blijkt dat het lastig is om goed zicht te krijgen op de gezinnen waar dit speelt. Jihadisten zijn over het algemeen schuw voor onderzoeks- en media-aandacht, maar ook een beperkte meldings- of handelingsbereidheid onder professionals en ethische en juridische obstakels belemmeren het zicht op deze gezinnen. Ondanks deze beperkingen geven vrijwel alle praktijkdeskundigen aan bekend te zijn met één of meerdere casussen waarin ouders vermoedelijk een stimulerende rol hebben gespeeld in de jihadistische radicalisering van hun kinderen. Ook de gesproken onderzoekers achten de waarschijnlijkheid groot dat intergenerationele overdracht binnen extremistische milieus plaatsvindt.

Patronen van overdracht

De onderzoekers hebben een model van intergenerationele overdracht van extremistische denkbeelden ontwikkeld. Daarin worden vijf mechanismen omschreven die hierbij een rol spelen: terugkerende patronen waarmee denkbeelden worden overgedragen. De onderzoekers komen op basis daarvan tot drie patronen van intergenerationele overdracht. In het eerste staat de ervaring van collectief leed centraal, bijvoorbeeld volgend op een vluchtelingen- of migratieverleden. In het tweede cluster zijn gezinsleden mogelijk betrokken bij criminaliteit of georganiseerd geweld, vertonen ze psychopathologische kenmerken, en/of hebben ze financiële problemen. In het derde cluster staat juist loyaliteit en betrokkenheid centraal. Deze ouders dragen hun denkbeelden over niet op basis van een vijandbeeld of op basis van traumatische ervaringen, maar omdat zij werkelijk geloven het beste met hun kroost voor hebben. Kinderen zouden zich nauwelijks afzetten tegen de denkbeelden van hun ouders en hebben veilige hechtingspatronen en een vertrouwensband met hun ouders. Deze bevinding staat haaks op de ‘broken homes’-theorie, die veronderstelt dat radicalisering zich bij uitstek voordoet in gebroken of onveilige gezinnen.

Mogelijke interventies

Zowel uit de bestudeerde studies als uit de gesprekken blijkt dat het niet-dwingende karakter van interventies van belang is. De ideologische ommekeer van kinderen moet komen van intrinsieke verandering, en niet van maatregelen als detentie of uithuisplaatsing. Daarnaast wijzen de onderzoekers erop dat interventies zouden moeten worden ingezet met het doel het welzijn van het kind te beschermen en niet met het oogmerk van maatschappelijke cohesie of zelfs puur voor de nationale veiligheid. Overheidsoptreden zou bovendien niet enkel op jihadisme gericht moeten zijn, maar ook op andere voor kinderen schadelijke ideologieën. Onder meer omdat er grote overlap is tussen de overdrachtspatronen van diverse radicale en extremistische denkbeelden.