Mogelijk ongelijke toepassing tijdelijk huisverbod door onduidelijkheden over wetsartikel

Bij huiselijk geweld kan de burgemeester de bewoner een tijdelijk huisverbod opleggen. Dat geldt ook voor een persoon die er ‘anders dan incidenteel’ verblijft. Maar de wet laat ruimte voor wie daarmee wordt bedoeld. Gaat het om de vermoedelijke pleger (‘uithuisgeplaatste) of om het slachtoffer (‘achterblijver’)? Om een ongelijke toepassing van de wet te voorkomen, zou ‘anders dan incidenteel’ toepasbaar moeten zijn op de achterblijver én op de persoon die uit huis wordt geplaatst. Dat blijkt uit onderzoek van Erasmus School of Law, in opdracht van het WODC.

Een tijdelijk huisverbod is bedoeld als een afkoelingsperiode om te voorkomen dat het misgaat tussen huisgenoten. De Wet tijdelijk huisverbod zegt hierover: een tijdelijk huisverbod kan worden opgelegd aan een volwassen persoon als uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem of haar in de woning wonen of daarin ‘anders dan incidenteel’ verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.
 

Gemeenten blijken regionale verschillen te ervaren in de rechterlijke toetsing van het ‘anders dan incidenteel’-criterium. Deze verschillen zijn bestudeerd in een jurisprudentieonderzoek. Een klein deel van de opgelegde huisverboden komt bij de rechter terecht. De discussie over de invulling en toepassing van het criterium wordt vooral gevoerd in de praktijk. Daarom is ook een contextonderzoek uitgevoerd naar de toepassingspraktijk bij het opleggen van een tijdelijk huisverbod.

Veel soorten relaties en woonsituaties

Uit het onderzoek komt naar voren dat vrijwel alle geïnterviewde professionals van gemeenten en politie het ‘anders dan incidenteel’-criterium toepassen op beide partijen. Juist omdat het onderscheid tussen pleger en slachtoffer niet altijd te maken is. Het hangt dan van de omstandigheden af wie er als uithuisgeplaatste wordt aangemerkt en wie als achterblijver. Daarover is veel discussie, vooral omdat er in de praktijk vele soorten relaties zijn en de meest uiteenlopende verblijfs- en woonsituaties. De discussie speelt vooral bij ex-partners die niet meer in de woning wonen, maar daar nog wel komen. Als er sprake is van een omgangsregeling met de kinderen, kan de woonsituatie diffuus zijn.

Koers Raad van State

In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (2016) werd het criterium alleen van toepassing verklaard op de achterblijvers. Voor de uithuisgeplaatste werd de strakkere eis gesteld dat die in de woning zou moeten ‘wonen of tijdelijk wonen’. Dit had consequenties voor de mogelijkheid om een tijdelijk huisverbod op te leggen. Zo kon een vrouw die in haar eigen huis te maken had met een zeer zware vorm van huiselijk geweld door haar ex-man die daar geregeld kwam, niet worden beschermd door het tijdelijk huisverbod, omdat de (uithuisgeplaatste) ex-man er niet woonde of tijdelijk woonde.

Verschillende rechterlijke uitspraken

Hoewel de afkoelingsperiode in situaties met ex-partners soms hoognodig is, blijkt het tijdelijk huisverbod daar niet in alle situaties in te kunnen voorzien. Zo blijkt uit de uitspraken dat het dagelijks in de woning van een ex-partner zijn om een gezamenlijk kind te verzorgen, voldoende is voor het vervullen van het ‘anders dan incidenteel’-criterium, maar niet voor ‘gedeeltelijk wonen’. Omdat rechterlijke instanties verschillende criteria hanteren, heeft dat ook tot verschillende uitspraken in vergelijkbare situaties geleid.

Toepasbaar op beiden

Op basis hun onderzoek bevelen de onderzoekers aan om de uitleg te hanteren waarin het criterium zowel op de (beoogde) uithuisgeplaatste als op de (beoogde) achterblijver toepasbaar is. Op die manier wordt de burgemeester niet beperkt in de keuze aan wie het huisverbod moet worden opgelegd. Ook worden daarmee ongerechtvaardigde verschillen voorkomen. Daarnaast bevelen de onderzoekers aan om samen met betrokken professionals een werkbaar toetsingskader te ontwerpen voor de invulling van het ‘anders dan incidenteel’-criterium. Daarbij kan worden aangesloten bij elementen als de aard, duur en frequentie van het verblijf in een woning die, zo blijkt uit het onderzoek, ook in de praktijk en de rechtspraak een rol spelen.