Bepaalde persoonsgegevens van slachtoffers worden niet langer standaard in processtukken opgenomen. Dat regelt sinds 1 juli 2025 de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) bescherming slachtoffergegevens, met het doel de privacy van slachtoffers te verbeteren. De rechter moet echter wel beschikken over de relevante feiten om een uitspraak te kunnen doen. Onderzoekers hebben een evaluatiekader gemaakt om deze maatregel over een aantal jaren te kunnen monitoren en evalueren. De onderzoekers raden aan om de AMvB vroegtijdig te monitoren om eventuele knelpunten in de praktijk tijdig te kunnen aanpakken.
Beeld: © WODC
In opdracht van het WODC heeft Hooghiemstra en Partners in samenwerking met Pro Facto het vooronderzoek naar deze AMvB uitgevoerd. Doel van het onderzoek was om de hoeveelheid persoonsgegevens voor de inwerkingtreding (via een nulmeting) en de ideeën achter de AMvB (beleidstheorie) in kaart te brengen en een evaluatiekader op te stellen, zodat de maatregel na een bepaalde periode kan worden geëvalueerd. De nulmeting kon afgelopen zomer vanwege problemen bij het Openbaar Ministerie (OM) op het gebied van informatiebeveiliging echter niet gedaan worden. Een nulmeting is wel nodig om bij de evaluatie te kunnen bepalen of er inderdaad minder slachtoffergegevens in dossiers zitten.
Doel AMvB
De AMvB regelt dat bepaalde persoonsgegevens van slachtoffers, zoals adres, woonplaats en burgerservicenummer, niet langer standaard in processtukken worden opgenomen. Opsporingsambtenaren vermelden deze gegevens niet meer in processen-verbaal, en het OM laat ze achterwege in vorderingen, bevelen, tenlasteleggingen en andere stukken. Als de gegevens redelijkerwijs van belang zijn voor de beoordeling van de zaak door de rechter worden de gegevens wel opgenomen. Het doel hiervan is het voorkomen van onnodige verspreiding van privacygevoelige gegevens binnen de strafrechtketen, en daarmee het beperken van risico’s voor de persoonlijke levenssfeer en veiligheid van slachtoffers.
Werkwijze
Het basisprincipe dat volgt uit de AMvB is dat persoonsgegevens van het slachtoffer ‘bij de bron worden weggelaten door degene die het processtuk opstelt’. Wanneer later blijkt dat bepaalde weggelaten persoonsgegevens toch relevant zijn voor de beslissing van de rechter, dan dient de officier van justitie die gegevens direct alsnog te verstrekken. Hierover zijn samenwerkingsafspraken gemaakt tussen het OM en de rechtspraak. Daarnaast hebben ketenpartners (zoals OM, politie, Rechtspraak en Reclassering) samenwerkingsafspraken gemaakt om te zorgen dat gegevens operationeel uitwisselbaar blijven, zonder dat deze in het strafdossier worden opgenomen. Dergelijke gegevens kunnen bijvoorbeeld nodig zijn om contact op te nemen met het slachtoffer. De officier van justitie controleert als verantwoordelijke voor het strafdossier achteraf niet actief en structureel of een document relevante slachtoffergegevens bevat die alsnog verwijderd moeten worden, voordat het bij de processtukken wordt gevoegd.
Mogelijke knelpunten
Hoewel de uitgangspunten van de AMvB helder lijken, kan de toepassing ervan mogelijk omslachtig blijken. Het gegeven dat persoonsgegevens wel dienen te worden vermeld wanneer deze voor de rechter noodzakelijk zijn bij het nemen van een beslissing vergt bijvoorbeeld een inschatting. Daarom richt het eerste deel van het evaluatiekader zich op de afbakening van de gegevens die strafvorderlijk relevant zijn. Er wordt gekeken wanneer en door wie gegevens als relevant worden gezien. Het tweede deel van het evaluatiekader richt zich op het onderzoeken of een afname van persoonsgegevens in processtukken heeft plaatsgevonden.
Aanbevelingen
De onderzoekers adviseren om niet eerder dan 5 jaar na inwerkingtreding van de AMvB het effect ervan te evalueren, omdat de doorwerking in dossiers en terechtzitting naar verwachting tijd vergt. Wel wordt aanbevolen om voor die tijd de afname in persoonsgegevens te monitoren, door het uitvoeren van een nulmeting op basis van dossiers van voor de inwerkingtreding van het AMvB en een tussenmeting na 1,5 jaar. Met de uitkomsten van de tussenmeting kan men bijsturen indien nodig. Hiermee wordt voorkomen dat eventuele knelpunten pas na 5 jaar in beeld komen.
Bij dit rapport schreef het WODC deze aanbiednota.