Civiele procedures zijn voor burgers en bedrijven vaak ingewikkeld en de uitkomst is niet altijd duurzaam. Op 1 januari 2025 werd Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht ingevoerd met het doel civiele procedures efficiënter en eerlijker te laten verlopen. Met name de regels rond inzagerecht van bewijsmateriaal werden vereenvoudigd en verduidelijkt. Of de maatregelen het gewenste effect hebben, is mede afhankelijk van het gedrag van de partijen en de context van de zaak. Het is belangrijk dat mee te nemen bij de evaluatie van de wet.

Lees het hele rapportZie factsheet

Sira Consulting voerde de planevaluatie van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (hierna ‘de wet’) uit in opdracht van het WODC. De planevaluatie gaat vooraf aan de wetevaluatie die staat gepland voor 2030. De planevaluatie brengt in beeld hoe de wijzigingen en ontwikkelingen doelgericht kunnen worden gemonitord en uiteindelijk geëvalueerd. Daarom heeft Sira Consulting onder meer onderzocht welke gedragsmechanismen de werking van de wet in de praktijk versterken of juist belemmeren: wat werkt, voor wie, onder welke omstandigheden en hoe.

Belangrijkste wijzigingen

De wet maakt het mogelijk om bij niet-complexe zaken zonder tussenkomst van de rechter bewijsstukken van de tegenpartij in te zien. Deze verandering in het zogenoemde inzagerecht heeft tot doel om iemand te helpen de eigen rechtspositie beter in te schatten en zo de procedures  efficiënter te laten verlopen. Dat geldt ook voor een andere maatregel: het kunnen samenvoegen van verschillende mogelijkheden om aan informatie en bewijs te komen in één verzoek aan de rechter, bijvoorbeeld getuigenverhoor in combinatie met onderzoek door een deskundige. Ook zijn maatregelen genomen om bewijs goed te beschermen  door er beslag op te laten leggen door een gerechtsdeurwaarder. Tot slot is in de wet duidelijker omschreven dat de rechter de ruimte heeft om actief met partijen te spreken over de door hen aangevoerde feiten.

Het wetsvoorstel bevatte initieel nog een ander punt, namelijk de invoering van een bewijs- en informatieverzamelingsplicht voorafgaand aan de procedure, maar dit is door een amendement in de Tweede Kamer geschrapt. Dit vanwege de angst dat er rechtsongelijkheid zou kunnen ontstaan. Partijen als grote ondernemingen zouden bijvoorbeeld meer mogelijkheden hebben om dit bewijsmateriaal uitvoerig aan te leveren en dat zou volgens tegenstanders rechtsongelijkheid kunnen veroorzaken.

Beeld: © Rijksoverheid

Gedrag en context

Het effect van het hernieuwde inzagerecht is mede-afhankelijk van het uiteindelijke gedrag van partijen en van de context, zeggen de onderzoekers. Van invloed zijn bijvoorbeeld de aan- of afwezigheid van rechtsbijstand, de aard en omvang van het geschil, de informatiepositie van de partijen en de hoeveelheid informatie waarom wordt gevraagd. Ook onvermogen, minder welwillendheid of strategisch gedrag hebben invloed. Daarnaast spelen andere zaken, bijvoorbeeld dat méér informatie in de praktijk vaak leidt tot juist méér onenigheid, wat het proces juist weer kan bemoeilijken.

Behalve rechtsongelijkheid kunnen deze omstandigheden een van de doelstellingen – het inzagerecht toegankelijker maken – ondermijnen. Ook bij de wijziging in verzoeken om ‘bewijsverrichtingen’, zoals verzoeken om een getuigenverhoor, kunnen zaken anders uitpakken dan bedoeld, door gedrag van de partijen of uiteenlopende contexten van de zaak. Bovendien kan regievoering door de rechter als oneerlijk worden ervaren door verliezende partijen, waardoor zij het vonnis minder snel accepteren.

Advies

Het is voor de volgens de onderzoekers van belang dat bij de wetsevaluatie in 2030 twee zaken in balans worden onderzocht: de efficiëntie van de rechtspraak én de effecten op het proces van waarheidsvinding en ervaren rechtvaardigheid. Niet alleen de instrumenten op zich moeten worden beoordeeld in hoe ze uitpakken in de praktijk, maar de wetsevaluatie moet ook reflecteren op de vraag of de ingezette instrumenten en doelen zelf passend en wenselijk zijn. Het is nodig beide vragen te stellen en daarom zowel te monitoren op telbare uitkomsten als op gedrag en context met betrekking tot de wetswijzigingen.

Bij dit rapport schreef het WODC deze aanbiednota.