De hoofddoelstelling van de Wet handhaving kraakverbod is het verkorten van de doorlooptijd bij een strafrechtelijke ontruiming van een gekraakt object. Hoewel uit de evaluatie van de wet blijkt dat dit doel is bereikt, zetten de onderzoekers vraagtekens bij de effectiviteit van deze wet. De wet blijkt namelijk slechts betrekking te hebben op een beperkt aantal kraakincidenten. Bovendien zijn er geen tekenen dat het strafrechtelijk handhaven van het kraakverbod daadwerkelijk is toegenomen door de wet. Daarnaast heeft de wet niet aantoonbaar geleid tot het ontmoedigen van het kraken of tot een effectievere bescherming van het eigendomsrecht van eigenaren.

Lees het hele rapportZie de infographic

Bureau Ateno heeft de Wet handhaving kraakverbod geëvalueerd in opdracht van het WODC. De onderzoekers keken of de wet de doelen heeft bereikt, en in hoeverre de wet gevolgen heeft gehad voor de werklast van de betrokken ketenpartners en voor de rechtsbescherming van krakers. Eerder verschenen al een één-meting en een nulmeting.

Het aantal kraakzaken was in de periode van de evaluatie gemiddeld 118 per jaar. Bij ongeveer een derde daarvan vond een strafrechtelijke ontruiming plaats. Ontruimingen kunnen ook via het bestuursrecht of civielrecht plaatsvinden, afhankelijk van de omstandigheden.

Sneller, maar niet vaker strafrechtelijk ontruimd

Na de invoering van Wet handhaving kraakverbod blijkt bij strafrechtelijke ontruimingen de periode tussen het moment van kraken en ontruimen ongeveer gehalveerd. Er kan dus sneller worden gehandhaafd. De verwachting dat met de wet beter zal worden gehandhaafd door strafrechtelijk optreden en dat door de versnelling van dat optreden het kraken zal worden ontmoedigd, is echter niet verwezenlijkt. Het aandeel van strafrechtelijke ontruimingen is namelijk eerder afgenomen, dan toegenomen.

Neveneffecten

Door de nieuwe ontruimingsprocedure via het strafrecht is de werklast met name voor de officier van justitie en de rechter-commissaris toegenomen, maar gezien het beperkt aantal zaken, is deze volgens de betrokkenen wel te overzien.

De wetswijziging heeft daarnaast geleid tot een ogenschijnlijk sterkere rechtspositie van krakers. Enerzijds, omdat na de invoering van de wet álle strafrechtelijke ontruimingen aan de rechter-commissaris moeten worden voorgelegd. Anderzijds, omdat de krakers niet langer de eisende partij zijn die de onrechtmatigheid van de aangekondigde ontruiming moeten aantonen. In plaats daarvan is het nu de officier van justitie die als eisende partij moet aantonen dat de eis tot ontruiming terecht is.

Beeld: © Pixabay

Conclusie

De wet heeft geleid tot het opstellen van een nieuwe procedure voor slechts een zeer beperkt aantal zaken en het voorleggen van een civielrechtelijk vraagstuk aan een rechter-commissaris die zich normaal gesproken op het strafrecht richt. Er zijn echter geen tekenen dat het strafrechtelijk handhaven van het kraakverbod daadwerkelijk is toegenomen door de wet. Op basis hiervan concluderen de onderzoekers dat de wet niet heeft gebracht wat het parlement wenste, namelijk het strikter handhaven van het kraakverbod door strafrechtelijk optreden, waarbij de kortere doorlooptijd tegelijkertijd ook het kraken ontmoedigt. Vooralsnog lijkt vooral het symbolische doel van de wet te zijn gerealiseerd: het markeren van een norm waaruit blijkt dat dit gedrag maatschappelijk niet wordt getolereerd. In het debat over de uitkomsten van deze evaluatie zou dan logischerwijze de vraag kunnen worden gesteld of de Wet handhaving kraakverbod achteraf gezien wel nodig is geweest.

Bij dit rapport schreef het WODC deze aanbiednota.