De groep jeugdigen die door de politie verdacht wordt van een misdrijf is bijna twee keer zo groot als het aantal jongeren dat ook werkelijk vervolgd wordt voor die misdrijven. Minderjarigen krijgen namelijk veelal buitenstrafrechtelijke en lichte maatregelen na politiecontact. Bij volwassenen is dit verschil maar 6%. Door politiegegevens te gebruiken, naast of in plaats van justitiegegevens, wordt een completer beeld van recidive gegeven. Dat blijkt uit onderzoek van het WODC.
Het doel van dit onderzoek was om te beoordelen in hoeverre verdenkingen uit politiegegevens meerwaarde bieden ten opzichte van de standaardmethode van het WODC om recidive te meten. Deze standaard is gebaseerd op vervolgingen uit justitiedata, waarbij rekening gehouden wordt met vrijspraken. Daarbij is het belangrijk dat de kwaliteit van politiedata van voldoende niveau is om deze gegevens ook daadwerkelijk structureel te kunnen gaan gebruiken.
Meerwaarde politiedata vooral bij jeugd
Dit onderzoek toont aan dat het gebruik van politiedata, met name bij studies naar jeugdigen, waardevolle inzichten kan bieden. Veel jeugdcriminaliteit wordt namelijk buitenstrafrechtelijk afgedaan, zoals via Halt of reprimandes (waarschuwingen). Hierdoor wordt de omvang van het aantal jongeren dat kan recidiveren, hun criminele carrières en werkelijke recidive onderschat als je alleen kijkt naar personen en delicten die vervolgd worden. Dit betekent niet automatisch dat de gemeten recidive onder jeugdigen groter wordt: jongeren die nu nieuw in beeld komen hebben vooral lichtere delicten gepleegd en blijken minder vaak opnieuw de fout in te gaan.
Bij volwassenen is de winst in extra inzicht beperkter. De groep volwassen verdachten is maar 6% groter dan de groep die vervolgd is. Wel levert het bij volwassenen beter zicht op het strafrechtelijk verleden tijdens de minderjarigheid, wat onderzoek naar deze groep ten goede komt.
Daarnaast heeft het gebruik van politiedata andere voordelen. Zo bevat politiedata onder andere tijdstip van plegen en of vermogensdelicten winkeldiefstal, autokraak of iets anders betreffen. Deze kennis is in justitiedata niet (altijd) beschikbaar. Verder kan het aantal medeplegers uit politiedata worden afgeleid, aangezien deze incident-georiënteerd zijn en meerdere verdachten aan één incident kunnen worden gekoppeld. Hiermee kunnen ook de kenmerken van groepsplegers worden afgeleid.
Beperkingen politiedata
Het onderzoek heeft ook enkele beperkingen blootgelegd: politiedata bevatten geen informatie over gerechtelijke beslissingen. Hierdoor worden misdrijven die niet tot vervolging en een veroordeling hebben geleid, nu meegeteld bij het vaststellen van recidive. Dit kan het recidivebeeld licht vertekenen, vooral bij volwassenen, omdat sommige misdrijven ten onrechte als bewezen recidive worden geteld.
Het wordt daarom aanbevolen vervolgonderzoek uit te voeren om informatie over rechterlijke afdoeningen uit justitiedata te koppelen aan politiedata. Zo kunnen incidenten die niet hebben geleid tot een schuldigverklaring (beter) worden uitgesloten, wat zorgt voor een betere en eerlijkere recidivemaat.
Beeld: © WODC
Large language models
Ook wordt aanbevolen verder onderzoek te doen naar ongestructureerde (tekst)gegevens die de politie vastlegt bij incidenten, zoals uitgeschreven processen-verbaal. Technologieën als large language models (LLM’s) kunnen helpen bij het identificeren van ‘verdachten’ die onterecht als ‘betrokkene’ zijn geclassificeerd en daardoor buiten beeld blijven. Die LLM’s zouden daarnaast kunnen bijdragen aan het verkrijgen van meer gedetailleerde informatie over personen en delicten, zodat misdrijven zoals kindermishandeling en huiselijk geweld beter in beeld komen.
Kortom, het gebruik van politiedata bij recidiveonderzoek is dus al veelbelovend, maar er zijn ook nog verbetermogelijkheden.
Bij dit rapport schreef het WODC deze aanbiednota.