Onderzoeksgegevens
Projectnummer3660
TypeExtern onderzoek
Betrokken organisatie(s)Universiteit van Amsterdam (UvA)

Samenvatting

Een aanzienlijk deel van auteursrechtelijk beschermde werken komt tot stand binnen een dienstverband, uiteenlopend van journalistieke producties tot de ontwikkeling van software en grafisch ontwerp. Op grond van het auteursrecht mag de maker van deze werken als enige beslissen over de exploitatie ervan. Ook kan de maker recht hebben op bepaalde vergoedingen. Als een werk echter tot stand komt binnen een dienstverband, geldt in Nederland dat niet de werknemer (de feitelijk maker), maar de werkgever wordt aangewezen als de maker van het werk. Dit wordt ook wel ‘fictief makerschap’ genoemd. Deze Nederlandse regeling lijkt vanuit Europees perspectief uitzonderlijk te zijn. Ook bestaat er onzekerheid over de verenigbaarheid van het fictief makerschap met het recht van de Europese Unie. Dit roept de vraag op hoe werkgevers in andere lidstaten van de Europese Unie het auteursrecht kunnen verkrijgen of kunnen exploiteren, en hoe andere landen de belangen van werknemers enerzijds en werkgevers anderzijds waarborgen. Dit onderzoek vergelijkt hoe andere EU-landen vormgeven aan het auteursrecht binnen een dienstverband, en hoe deze regelingen functioneren in de praktijk. Daarmee biedt het onderzoek concrete inzichten voor mogelijke aanpassingen van de Nederlandse regeling van het werkgeversauteursrecht, in het bijzonder de artikelen 7 en 8 van de Auteurswet.