‘Hate crime’ in Nederland, waar hebben de slachtoffers behoefte aan?

‘Hate crime’ in Nederland, waar hebben de slachtoffers behoefte aan?

De problemen van hate crime slachtoffers kunnen worden geclusterd in drie thema's; lage aangiftebereidheid, beperkt gebruik van bepaalde rechten of voorzieningen en een gebrek aan herkenning en erkenning. Dit blijkt uit onderzoek van Maastricht University, in opdracht van het WODC, waarin onderzocht is welke specifieke behoeften slachtoffers van hate crime hebben ten aanzien van het strafproces en slachtofferhulpverlening en de mate waarin het Nederlandse strafproces en de slachtofferhulpverlening aan deze behoeften voldoen.

De Nederlandse wet kent het begrip 'hate crime' niet. Wel is er steeds meer aandacht voor. In Nederland kan vervolging worden ingesteld bij delicten die worden gepleegd met een discriminatoir motief (zogenoemde CODIS-feiten), dit is van toepassing op slachtoffers van hate crime. Slachtoffers van hate crimes worden door de EU Slachtofferrichtlijn specifiek genoemd als (vermoedelijk) kwetsbare slachtoffers, die behoefte hebben aan en recht hebben op aanvullende beschermingsmaatregelen tijdens het strafproces. In vergelijking met “reguliere” slachtoffers hebben hate crime slachtoffers gemiddeld meer te lijden onder het strafbare feit. Zij hebben bijvoorbeeld vaker en langer last van depressieve gevoelens, woede, angst en stress als gevolg van het delict.

Uit een het rechtsvergelijkende deel van het onderzoek blijkt dat er vrijwel geen landen zijn die exclusieve rechten of voorzieningen voor hate crime slachtoffers hebben ontwikkeld. Vrijwel alle genoemde maatregelen worden ook aan andere kwetsbare slachtoffers geboden. Uit buitenlandse slachtofferstudies blijkt dat hate crime slachtoffers gemiddeld minder tevreden zijn over hun ervaringen met het strafrechtssysteem dan reguliere slachtoffers en dat ook het risico op secundaire victimisatie voor deze slachtoffergroep groter is.

Het onderzoek levert drie clusters van problemen op die hate crime slachtoffers kunnen ervaren:

  • Lage aangiftebereidheid: redenen hiervoor zijn de geringe gepercipieerde ernst van het incident, angst om niet serieus te worden genomen, schaamte, angst voor vergeldingsmaatregelen, eerdere negatieve ervaringen met de politie, gebrek aan training en kennis van politieambtenaren en normalisering van hate crimes.
  • Beperkt gebruik van bepaalde rechten of voorzieningen: dit komt doordat sommige slachtoffers niet beseffen dat ze slachtoffer van een hate crime zijn of dat er allerlei specifieke (hulp)voorzieningen voor hen bestaan (bijvoorbeeld gespecialiseerde politieagenten).
  • Gebrek aan herkenning en erkenning: het gebrek aan specialistische kennis bij politie- en justitiemedewerkers zorgt ervoor dat het discriminatie-aspect soms niet wordt (h)erkend.

De door de respondenten genoemde behoeften sluiten dikwijls op bovengenoemde knelpunten aan. De onderzoekers concluderen dat reeds voor een groot deel in de speciale behoeften van hate crime slachtoffers wordt voorzien. Maar dat met name de correcte implementatie aandacht verdient. Om aan te sluiten bij de behoeften van slachtoffers, zou er meer aandacht kunnen zijn voor speciale training van reguliere politieambtenaren, het verwachtingsmanagement bij slachtoffers (bijvoorbeeld ten aanzien van de handhaafbaarheid van het discriminatieaspect gedurende het strafproces of de beperkte beschikbaarheid van gespecialiseerde functionarissen), hulp bij het begrijpen van het juridische jargon; en het in beginsel opnemen van een aangifte in plaats van een melding, tenzij het slachtoffer bewust de voorkeur geeft aan het doen van een melding.

Lees het volledige rapport: Speciale behoeften van slachtoffers van hate crime tav het strafproces en de slachtofferhulp